Zinsverbanden.nl logo
Zinsverbanden.nl

Afliep

Wij hebben 103 voorbeeldzinnen voor afliep.

Definities

  1. Eindigen, verstrijken
  2. Hellen
  3. Het klinken van een alarmsignaal
  4. Door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten
  5. Een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen

Gerelateerde woorden

Voorbeeldzinnen

  • Ze legde even haar hand op zijn arm toen ze de trap afliep.
  • Die zekerheid hield hem uit de slaap tot de wekker afliep.
  • Ze keken op toen het viertal op hen afliep.
  • Ze zagen dat hij zich omdraaide en op hen afliep.
  • Was alles alleen maar een bevlieging die slecht afliep?
  • Ze zou graag willen weten hoe dit verhaal afliep.
  • Ze voelde hun blikken in haar rug toen ze de trap afliep.
  • In de maanden vóór een periodieke regeling afliep is een piek te zien
  • Ze had een naar gevoel in haar buik toen ze de trap afliep.
  • Ze kwamen overeind toen hij uit zijn wagen kwam en op hen afliep.
  • Ze merkte op dat de vloer schuin afliep naar de muur met de sluisdeur.
  • Ze wilde weten hoe deze betoverende ervaring afliep.
  • Op beelden is te zien dat hij uitstapte en boos op de bus afliep
  • Ze inspecteerde de muur terwijl ze het pad afliep.
  • Ze lette niet op toen ze op de verstrengelde populieren afliep.
  • Het vliegtuig explodeerde toen ze de trap afliep.
  • Het was op een helling gebouwd die aan de achterkant steil afliep.
  • Het spreekt vanzelf dat ik niet kan vertellen hoe dat afliep.
  • Toen ze de trap afliep kreeg ze plotseling een idee.
  • Nu zou ze nooit weten hoe het verhaal afliep.
  • Ik herinner me niet hoe de wedstrijd afliep.
  • Ze zagen dat er geen spoor de berg afliep.
  • Ze volgde haar broer die luid neuriënd voor haar de trap afliep.
  • Hij had nog twintig minuten voor het ultimatum afliep.
  • Toen verrichtte hij een operatie die verkeerd afliep.
  • Hij had zichzelf nu in de hand toen hij de helling afliep en de deur openduwde.
  • Hij keek haar na zolang zij de oprijlaan afliep.
  • Ze keek niet op toen hij op haar afliep.
  • Tegen de tijd dat het bestand afliep had dat nog niks opgeleverd
  • Het huis stond op een heuvel die afliep naar de kustweg.
  • Ze volgde haar broer die luid neuriënd voor haar de trap afliep.
  • Hij zou wel willen weten hoe het verhaal afliep.
  • Ze kusten tot in de keuken de kookwekker afliep.
  • Ze vond het jammer dat ze niet wist hoe het afliep.
  • Hij hield zich in de schaduw terwijl hij op de muur afliep.
  • Hij keek haar na toen ze de brede treden afliep.
  • Ze lette niet op toen ze op de verstrengelde populieren afliep.
  • Toen ze op het huis afliep hoorde ze een stem achter zich.
  • Gekraak gaf aan dat er iemand de trap afliep.
  • Toen ze op het huis afliep hoorde ze een stem achter zich.
  • Hij hoorde hoe iemand de trap naar de koebrug afliep.
  • Nu zag ze de benen van de kerel toen hij de trap afliep.
  • Het was als een onverbiddelijk mechaniek dat afliep.
  • Ze keken hem allebei na toen hij de trap verder afliep.
  • Hij had gedroomd dat hij een trap afliep.
  • Ik heb het gevecht wel gezien maar niet hoe het afliep.
  • Ze telde tot honderd voor ze de traptreden naar de kelder afliep.
  • Hij had beter moeten oppassen toen hij de helling afliep.
  • Hij keek daarom moedig toe hoe het afliep met de kip.
  • Het zou wel prettig zijn als ik wist hoe hij afliep.
  • Hij zou haar gewicht steunen terwijl ze de heuvel afliep.
  • Ik bleef niet staan kijken hoe het afliep.
  • Ze keek hem na toen hij het pad afliep en in zijn auto stapte.
  • Totzijn ontsteltenis zag hij nu pas dat het terrein afliep.
  • Dat het zo met je afliep als je niet geloofde.
  • Het was op een helling gebouwd die aan de achterkant steil afliep.
  • Ze had maar al te vaak gezien hoe dat afliep.
  • Aan het feit dat het gat schuin afliep had ik dus niks.
  • Toen hij de trappen afliep hoorde hij haar gillen.
  • Ik bleef niet staan kijken hoe het afliep.
  • Toen hij de trap weer afliep kwam zij net omhoog.
  • De hond vond het jammer dat het zo afliep.
  • Ze keek hem na toen hij het pad afliep en in zijn auto stapte.
  • Het voelde als een bevrijding voor hem toen hij van de veranda afliep.
  • Ze vertelde over een hond die vuilnisbakken afliep en op straat sliep.
  • Hij hoorde het gestommel beneden al toen hij de trap afliep.
  • Hij keek haar recht in de ogen toen hij op haar afliep.
  • Nog voor de wekker afliep was hij uit bed geveerd.
  • Ze kwamen overeind toen hij uit zijn wagen kwam en op hen afliep.
  • Hij keek naar mij terwijl ik de trap afliep.
  • Ze sliep door tot om tien over halfzeven haar wekker afliep.
  • Hij wilde per se afwachten hoe het avontuur afliep.
  • We namen een straat die naar het meer afliep.
  • Geen wonder dat het verkeerd afliep met je zus.
  • Toen had ze al kunnen weten hoe het afliep.
  • Ik gaf mezelf een standje terwijl ik de heuvel afliep.
  • Een mooie liefdesgeschiedenis die slecht afliep.
  • Het was niet goed dat zijn broer de kantjes ervan afliep.
  • Ik duimde toen ik de trap afliep naar de keuken.
  • Ze zouden moeten afwachten hoe het afliep.
  • Hij had zichzelf nu in de hand toen hij de helling afliep en de deur openduwde.
  • Ze waren enigszins verrast toen hij op hun groepje afliep.
  • Hij kookte inwendig toen hij de trap afliep.
  • Ze hield hem losjes in haar hand terwijl ze het pad naar huis afliep.
  • Hij glimlachte naar haar toen ze op hem afliep.
  • Ze keek haar na hoe ze de dorpsstraat afliep.
  • Het klonk alsof hij echt wilde weten hoe het afliep.
  • Ik kon nauwelijks horen dat ze de trap afliep.
  • De andere nam ze mee terwijl ze de helling afliep.
  • Ze giechelde terwijl ze de trap van de kelder afliep.
  • Toen hij de trap afliep had hij haar meteen gezien.
  • Een maand voordat het contract afliep vertrok de man.
  • Ze bleef gewoon liggen toen de wekker om zes uur afliep.
  • Ze was blij dat de wekker afliep en dat ze hun zoon zo zouden ophalen.
  • Het kón gewoon niet zo zijn dat het zo makkelijk afliep.
  • Ze stond bevend op toen hij op haar afliep.
  • Ze merkte op dat de vloer schuin afliep naar de muur met de sluisdeur.
  • Het spreekt vanzelf dat ik niet kan vertellen hoe dat afliep.
  • Ik keek hem een poosje na toen hij de oprijlaan afliep.
  • En hij hoorde ook niet hoe het met hen afliep.
  • Ze was blij dat de wekker afliep en dat ze hun zoon zo zouden ophalen.
  • Ze telde tot honderd voor ze de traptreden naar de kelder afliep.
  • Hij schrok toen ik uit het donker op hem afliep.

Veelgestelde vragen over afliep

Wat betekent afliep?

De betekenis van afliep is: Eindigen, verstrijken Hellen Het klinken van een alarmsignaal Door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten Een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen

Hoe gebruik ik afliep in een zin?

Je kunt afliep bijvoorbeeld gebruiken in deze zin: "Ze legde even haar hand op zijn arm toen ze de trap afliep."

Wat is de juiste spelling van afliep?

De juiste spelling is: afliep.